Verkondiging op zondag 17 februari 2008 in de Nicolaaskerk te Muiden
Tweede zondag van de Veertigdagentijd

1e lezing: Gen. 12, 1-4a
evangelie: Mt. 17, 1-9

Beste mensen,

Als hele stromen vaders, moeders en kinderen hun land verlaten, kan dat om totaal verschillende redenen zijn.

Mensen die in hun eigen land niet veilig meer zijn, hopen "in den vreemde" een betere toekomst tegemoet te gaan, en hebben daar een gevaarlijke overtocht voor over. Al komen velen van hen onderweg om het leven: toch wagen zij het er op. Maar als zij wèl levend hun doel bereiken, verwachten zij daar ontvangen te worden. Wat vaak niet het geval is: zij worden teruggestuurd. Maar toch wagen zij het een volgende keer opnieuw. Zij hopen toch ééns geluk te vinden!

Anderen verlaten een veilig land om een mooie vakantie te hebben in een zonnig land. De meesten van hen komen terug in eigen land met prachtige verhalen over alles wat zij gezien en beleefd hebben. Zij denken er vaak aan om een ander jaar daar wéér naar toe te gaan. Maar… dat wil niet zeggen dat ze het dan weer zo fantastisch treffen: Want het kan bijvoorbeeld zijn dat zij in dat "zonnige" land alleen maar donkere en verregende dagen hebben meegemaakt. En dan ziet alles er veel minder florissant uit. Teleurstellend!

Om welke reden ook mensen hun land verlaten: allen zoeken toch gelukkig te worden.

Iemand die om een totaal andere reden zijn land verliet, was Abraham. Hij was gelukkig in zijn vertrouwde land, en had helemaal geen zin om al dat goede te verlaten, zijn stam en familie óók nog. Waarom hij tòch op weg ging, staat in de eerste lezing van vandaag: omdat hij de stem van God in zich meende te moeten volgen. Hij begon geen reis die hij zelf in een reisgids had uitgezocht. Hij moest maar afwachten wat hem overkwam, en hoe de belofte van een groot volk, - door God gezegend -, er uit zou zien. Maar ondanks alle onzekerheid: "Abraham trok weg, zoals de Heer hem had opgedragen." Hij zou in "het vreemde land" iets nieuws, iets diepers gaan ontdekken: dat God hem zegende, èn dat hij zelf tot zegen zou worden voor zeer velen.

Lange tijd later leefde in dat land een man uit Abrahams geslacht met de naam Jezus. En deze man - óók door God gezonden - trok velen aan door zijn woorden en werken. Daartoe behoorden ook de eenvoudige mensen die door Jezus waren geroepen -, waren uitgenodigd -, om hem van heel nabij dagelijks te vergezellen: de apostelen. Ook zij hadden alles verlaten wat hun vertrouwd en lief was, en gingen met Jezus mee. Zij hadden ontzaglijk veel van hem te leren. En vaak begrepen zij Jezus niet, omdat Hij totaal anders was dan hun geestelijke leiders, die hun over God geleerd hadden.

Zij ontdekten dat Jezus zich niet bezig hield met ingewikkelde en harde duizend-en-een wetten en geboden, maar dat hij te midden van de mensen stond, en hen begreep en waardeerde zoals zij waren: met hun goede wil, èn óók met hun fouten en tekortkomingen. Hij leerde hun dat God liefde was, voor iedereen van goede wil. "Kijk maar naar Mij, want Ik kèn Hem", kon Hij zeggen. Maar de apostelen wisten daarmee toch niet ècht goed raad. Zij zagen niet wie Hij werkelijk was: het licht in de wereld.

Die "verlichting" gebeurde concreet bij de drie apostelen die met Jezus de hoge berg op gingen. Het was daar stil: ze waren er alleen. Gedurende de tijd dat zij in Zijn gezelschap vertoefden, hadden ze een bepaalde mening over Hem gevormd. Gebrekkig, dat wel. Daarom moesten ze deze voortdurend corrigeren. Ze staan nog steeds verwonderd: "Wie is hij toch?", maar ze blijven bij Hem: ze zijn er van overtuigd, dat Hij woorden heeft van eeuwig leven,

De reis naar de top van de berg is eigenlijk een reis naar de diepte. Opeens zien ze Jezus anders: geweldig, heerlijk. Er zijn geen woorden voor. Toch zoeken ze naar woorden: stralend als de zon, glanzend als het licht. Ze mogen even zien wie Hij werkelijk is. Ze raken de kern van Zijn wezen. Jezus Christus is méér, véél meer dan zij ook maar konden vermoeden. Bij hen gebeurt een concrete openbaring.

Ook wij worden geroepen zelf te zien wie Jezus werkelijk is, èn ook te laten zien aan anderen dat Jezus licht kan brengen in alle omstandigheden. Dat doen wij door Jezus te volgen -, door zijn handen, en voeten, te zijn -, door zijn woorden en gedrag zoveel mogelijk tot de onze te maken. Op onze levensreis kunnen wij daardoor gelukkig zijn en anderen gelukkig maken.

Als ik persoonlijk hoor over allerlei wetten en gebeden, over verboden en verdachtmakingen, dan denk ik altijd: "Wat zou Jezus daarvan denken?" Want onze Kerk moet toch de Kerk van Jezus zijn? Jezus als licht, dat ons gelukkig maakt! Amen

Henk Samsom, emerituspastoor