Verkondiging op zondag 24 februari 2008 in de
Laurentiuskerk te Weesp Derde zondag van de Veertigdagentijd
1e lezing: Ex. 17, 3-7
evangelie: Joh. 4, 5-42
Inleiding op de Viering
We lezen vandaag een heel lang verhaal voor
over de Samaritaanse vrouw en Jezus.
Dat verhaal komt voort uit het Evangelie van Joannes de evangelist.
Op de rand van een put, op het heetst van de dag,
gaat Jezus een gesprek aan met die vrouw uit Samaria.
Iemand die in de gangbare mening van Jezus’ volksgenoten in die tijd
twee keer niets voorstelde:
een vrouw en ook nog zo ’n ketterse uit Samaria.
Maat juist aan haar als eerste geeft Jezus zich te kennen,
als van Godswege gestuurd.
En zij herkent in hem zoveel waardoor ze diep gelukkig wordt.
Om dat lange verhaal goed te kunnen beluisteren en in ons op te nemen,
wijzigen we een beetje de volgorde
waaraan we in de vieringen gewend zijn.
Na de Tussenzang wil ik eerst een niet te lange inleiding op dat verhaal houden,
zodat U het beter kunt verstaan.
Daarna zingen we samen met het koor het Lied voor de Vastentijd:
het eerste couplet en het couplet van de 3e Zondag.
Dan beluisteren we rustig dat lange verhaal.
We nemen er de tijd voor.
Het koor zingt de aanroeping na het Evangelie; vervolgens enkele ogenblikken stilte.
En tenslotte wil ik nog even stil staan bij enkele onderdelen van dat verhaal.
Inleiding op de Voorlezing Evangelie
Zoals daarstraks reeds gezegd,
lezen we vandaag een heel lang verhaal voor
over de Samaritaanse vrouw en Jezus.
Eerst een niet te lange inleiding op dat verhaal, zodat U het beter kunt verstaan.
Daarna zingen we samen met het koor het Lied voor de Vastentijd:
1e couplet en couplet van de 3e Zondag.
Dan beluisteren we rustig dat lange verhaal.
We nemen er de tijd voor.
Het koor zingt de aanroeping na het Evangelie; vervolgens enkele ogenblikken stilte.
En tenslotte wil ik nog even stil staan bij enkele onderdelen van dat verhaal.
Het verhaal komt uit het Evangelie van Joannes.
Tijdens het leven van Jezus was hij de jongste onder de apostelen.
Hij wordt in het Evangelie genoemd: de geliefde leerling van de Heer.
Hij is heel oud geworden.
Zijn Evangelie is ongeveer 50 jaar na het sterven en verrijzen van Christus
ontstaan in de kerkgemeenschap van Ephese,
gelegen in het westen van het tegenwoordige Turkije.
Wanneer we straks luisteren, dan moeten we dat maar doen,
alsof we daar tussen die mensen zitten met hun nieuwe geloof.
Toch blijven we ook onszelf, en laten we ook maar waarnemen
wat dit verhaal van de Samaritaanse vrouw met Jezus in ons hier opwekt.
Ja, U hoorde het goed: de Samaritaanse vrouw stond voorop.
In de vorm van het verhaal is aan haar zonder twijfel
de volle hoofdrol toebedeeld.
Ze draagt geen naam, zoals dat vaker voorkomt bij Joannes.
Je kunt je dochter er niet naar noemen.
Ieder van ons,vrouw of man, mag in haar plaats gaan staan.
Ieder van ons mag zich in haar herkennen;
dat, wat zij doormaakt, ook in ieder van ons kan plaatshebben:
verwondering, reacties, openheid voor wie je ontmoet,
ingaan op wat een ander naar voren brengt,
enthousiasme over wat je in dat gesprek hebt doorgemaakt.
In dit soort verhalen van Joannes gaat het hem helemaal niet om feiten te vertellen,
welke je gefotografeerd zou kunnen hebben.
De verhalen zijn sterk symbolisch bedoeld,
opgeroepen door de beeldende woorden die gebruikt worden:
water, bron, moe zijn, dorst hebben,
spijs eten, maaien en oogsten, zwoegen en vruchten plukken.
Die beeldende woorden raken mede aan je innerlijk, aan je hart en je gevoel.
Ook als straks in het verhaal Jezus spreekt over haar man,
en de vrouw daarop reageert,
dan zijn we geneigd dat onmiddellijk te verstaan als
echtgenoot, geliefde, levenspartner; we zien hem vóór ons.
Maar ook dat woord is symbolisch bedoeld.
Daarmee bedoelt Jezus aan te geven:
wie is jouw God? waaraan vertrouw je jezelf helemaal toe in je leven?
De Samaritanen, die daar in Palestina woonden,
midden tussen wat wij tegenwoordig Beyrouth noemen en Jeruzalem,
die waren voor de Jeruzalemse Joodse mensen als vreemden,
van over de grens, allochtoon zouden wij zeggen.
Als Jood hield je je daartussen niet op, geen dag.
Van de Bijbel gebruikten de Samaritanen alleen de eerste vijf boeken
zoals het boek van de Schepping.
Aan die vijf boeken, in Jezus’ beeldspraak ‘die vijf mannen’,
vertrouwden zij hun leven toe; een soort afgeknot geloof.
Op zijn tocht was Jezus dus buiten de grenzen gegaan.
Maar op die plek was wel die put van Jakob.
Daar lag een heel groot stuk historische traditie van het volk van Israël,
zelfs vanaf de tijd van Abraham.
Dat is veel ouder dan Mozes, over wie we in de eerste lezing hoorden.
De Samaritaanse vrouw als hoofdpersoon
in toevallige ontmoeting met de vermoeide Jezus daar bij die put,
de tweede belangrijke persoon.
En dan zijn er op het einde ook nog de stadgenoten van de vrouw uit Sichar.
Die gingen in Jezus geloven.
En parallel aan deze mensen
maken ook de leerlingen van Jezus nog deel uit van het verhaal.
Jezus geeft hen uitleg over dat gesprek met die vreemdeling, de vrouw uit Samaría.
Ook dat gesprek gaat weer in een taal vol met andere,
maar ons zeker geen onbekende, beelden en symbolen.
Ik denk dat we nu maar eerst het verhaal moeten gaan beluisteren.
Ik zou u willen vragen om, als het enigszins kan,
het verhaal in alle rust gewoon te aanhoren.
Ik zal mijn best doen om het rustig en helder en goed voor te lezen.
Wanneer je de tekst in het boekje meeleest is je aandacht misschien verdeeld.
Denken we maar aan onze kinderjaren
toen we ook ademloos konden luisteren naar een verhaal.
Dan ervaar je ook van binnen wat het verhaal met je doet.
Luisteren in geloof wil zeggen:
wat de woorden en beelden in je als mens teweeg brengen,
daarin komt de Geest, het Woord van Jezus, tot je.
Dan kun je wellicht op een goed moment ook zo reageren als die Samaritaanse,
die zegt: Ik zie dat U een profeet bent, de Messias, de Gezalfde.
En dat Jezus dan innerlijk tot je zegt: Dat ben ik die, - in je hart -, tot je spreekt.
We zingen nu eerst samen me het koor de 2 coupletten van het Vastenlied.
Korte overdenking na het beluisteren van het Evangelieverhaal
Ik vraag me na dit verhaal gehoord te hebben af:
zouden er momenteel niet heel wat mensen zijn, vrouwen èn mannen,
die door die Samaritaanse vrouw geboeid worden,
zich in haar op een of andere manier herkennen?
In hoe ze zich toont, hoe ze reageert, handelt?
En misschien nog wel het meest, ook al geeft men dat niet zo gemakkelijk toe,
in wat er tijdens dat gesprek met Jezus
zich in hun binnenste voltrekt en aangeraakt wordt?
De vrouw doet haar dagelijkse taak: water putten. Ze weet hoe dat moet.
Dat kost energie, zeker als je dat moet doen op het heetste moment van de dag. Tegenwoordig leven ook velen in hun dagelijks leven
aan de rand van de gevestigde traditioneel godsdienstige gemeenschappen:
als een soort allochtoon.
In het eerste contact zijn ze een beetje op afstand zoals de vrouw:
jij, een Jood vraagt aan mij om water?
Maar in het verdere verhaal lijkt ze zelfbewust, kordaat
en ook een beetje slim reagerend.
Maar wel eerlijk en open.
En Jezus?
Ook hij is in het buitenland, ver van Jeruzalem,
zoals de luisterende gelovigen in de geloofsgemeenschap van Joannes in Ephese.
De manier waarop hij in het gesprek meedoet:
als het ware een gelijkwaardige gesprekspartner.
Als zodanig erkent Jezus de vrouw eveneens.
En zo ontwikkelt zich het gesprek
waarin ze meer en meer wordt aangesproken in haar diepere verlangens.
Ze ontdekt Jezus:
een Jood, groter dan onze Vader Jakob, profeet;
en tenslotte met een vraag: misschien wel de Messias?
Ze wordt ook aangesproken door wat hij zegt:
gave Gods, levend water, na het drinken in eeuwigheid geen dorst meer,
waterbron in jezelf opborrelend tot eeuwig leven.
En God aanbidden?
Niet meer op de berg of in de tempel:
het uur is gekomen dat we de vader aanbidden in geest en waarheid.
Zou dat ook ons kunnen overkomen
in deze bezinningsperiode van de veertigdagentijd?
Dat in ieder van ons zoals in haar
die bron van levend water uitbundig begint te stromen?
Lessen wij, zoals zij, onze dorst aan Jezus Messias?
Ze laat haar kruik achter.
Ze gaat naar de stad terug en zegt tot de mensen:
Kom eens kijken naar die man!
Hij heeft me alles verteld over wat belangrijk is om voor te leven!
En zij verlieten de stad om Hem te gaan zien.
En de stadgenoten zeggen later tot de vrouw.
Niet langer geloven we om wat jij gezegd hebt, want wij hebben Jezus zélf gehoord.
Zouden we dat elkaar als geloofsgenoten niet moeten toewensen in deze Vastentijd?
En dan nog dal beeld van Jezus,
dat de evangelist Joannes schildert aan het begin van het verhaal.
Zo heeft Joannes hem tijdens zijn publieke leven ook leren kennen:
rondtrekkend onder de mensen, Joden en anderen,
ook buiten de grenzen van zijn land.
Moe van die levenstocht, en van het werk, en van zijn zorg om de mensen.
Zittend daar op de rand van die historische put uit het oude Israël.
En zijn woorden zijn: geef Mij te drinken. Ik heb dorst!
Van Hem, van wie de stadgenoten van de vrouw getuigen:
deze is werkelijk de redder van de wereld!
Van Hem, die in het gesprek tegen de vrouw zegt: dat ben Ik, die met je spreek.
En dan komt in mijn verbeelding die berg me voor de geest,
met dat kruis, en daaraan deze Jezus Messias hangend.
En we lezen in de heilige Schrift bij diezelfde Joannes:
Wetend dat alles was volbracht, zei Jezus: Ik heb dorst!
En nadat hij van het aangereikte water met azijn gedronken had zei hij:
het is volbracht! Hij boog zijn hoofd en gaf de geest (Jo 19, 28-30).
Ook dat is goed ons in herinnering te brengen in deze Veertigdagentijd!.
Amen.
pater Stef van der Grinten S.J.
|