Verkondiging op 20 juli 2008 in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te Muiderberg.
1e lezing: Wijsheid 12,13.16-19 We zeggen het niet altijd hardop, maar we denken regelmatig: wat idioot, dat iemand zoiets doet, wat gemeen. We zijn nu eenmaal opgevoed met een helder onderscheid tussen goed en kwaad. Soms is het overduidelijk dat iets gemeen, een rotstreek is. Een oude dame in de trein wordt lastig gevallen, dan is dat overduidelijk kwaad. Als iemand met drank op in de auto stapt, ook dan is het overduidelijk: dat mag niet, dan kan niet en dat moet gezegd worden ook. Maar meestal is het onderscheid tussen goed en kwaad helemaal niet zo duidelijk. Het is in ieder geval heel tijdgebonden. Samenwonen bijvoorbeeld voordat je getrouwd was, was vroeger een schande. Nu zeggen ouders tegen hun kinderen: Meid, ga toch eerst samenwonen, dan kun je het proberen. Een Protestant en een katholiek op èèn kussen: dat kon niet en dat mocht niet. Je kon er als kind het huis voor worden uitgezet. Nu is het de gewoonste zaak van de wereld en ben je eerder blij als je schoonzoon nog iets met een kerk heeft, wat voor kerk dan ook. En zo kun je een tijdje doorgaan. Want abortus bijvoorbeeld: nee, natuurlijk niet. Maar als het nu om een verkrachte vrouw gaat, een jong meisje in een oorlogssituatie dat nog geen 16 is? Dan ligt het toch wel anders. En homoseksualiteit: de kerk wijst het nog steeds af, maar als jij het zelf bent, of is het je eigen dochter is, of je eigen zoon en je ziet dat hij of zij hartstikke gelukkig is? Dat kan toch niet slecht zijn? Kortom, meestal is het niet zo duidelijk wat goed is en wat kwaad. Onze blik is maar beperkt. We zijn altijd mensen van onze tijd, mensen van deze cultuur. Het is van belang dat te beseffen. Het verhaal dat Jezus ons vertelt, van een mens die goed zaad op zijn akker zaait en over een slecht mens die daar onkruid tussen zaait, dat verhaal gaat daar juist over: dat het niet aan ons is om te oordelen. Het zaad in de bijbel is altijd een beeld voor het Woord dat in ons is neergelegd. Het woord van God, het woord van de profeten, de woorden en daden van Jezus, dat is allemaal het goede zaad. Daar hebben we allemaal iets van meegekregen., Van onze ouders, onze onderwijzers, van de kerk, van wie dan ook. Het is de goede geest die in ons huist. De liefde die we in ons hebben, het medelijden dat we voelen, de zorgen die we ons maken voor een ander. Maar in elk mens heeft ook het slechte zaad een plaats gekregen. Al onze zwakke plekken, onze moeilijke kanten: wie heeft ze niet. En natuurlijk zouden wij, net als de knechten, dat slechte zaad er wel uit willen scheuren; uit onszelf en uit de ander. Want we willen zo graag een mooi en goed mens zijn. We willen zo graag een mooie wereld. Maar zo komt het Koninkrijk van God er niet, lezen we vandaag. Niet door kracht of geweld. Je moet het eerder vergelijken met een mosterdzaadje, of met een beetje zuurdesem. Het begint heel klein, onooglijk bijna. Maar het groeit, zo geleidelijk dat je het niet ziet. Het heeft zijn eigen tijd nodig. Je kan het niet forceren. Maar het groeit wel. Zeker! Het vraagt geduld; geduld met onszelf en met elkaar. Het vraagt mildheid voor alle zwakke kanten in onszelf en de ander. Het vraagt geloof: dat het wel goed komt - met mij en met jou. Met onze lieve aarde. Als de knechten vragen: “Zullen we het er dan maar uithalen? Dan antwoord de heer: “Nee, laat ze maar samen opgroeien tot de oogst.” Het is niet aan ons om te oordelen. We zouden per ongeluk het goede eruit kunnen halen, tezamen met het kwade. Het is niet aan ons om te oordelen. Als we dat beseffen, als we ons iets van die mildheid aanleren, zou het dan niet veel mooier zijn in onze wereld. Hoeveel ruzies zouden er dan minder zijn: bijvoorbeeld tussen ouders en hun kinderen, die hun eigen wegen gaan. Hoeveel conflicten zou het niet schelen in de kerk. Want ook voor ons als kerk geldt: wie weet wat goed is en wat kwaad? Wie weet wat een juist geloof is en wat niet? Als wij als geloofsgemeenschap dat bonte geheel mogen zijn die wij zijn, als we hier als progressieve en als mensen die meer traditioneel ingesteld zijn samen kunnen vieren, als ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen geloof mag hebben, wat mooi, wat rijk zouden we dan zijn. Wat zouden we veel van elkaar kunnen leren. We zouden een veelkleurige, wijze kerk kunnen zijn. Want het is niet aan ons om te oordelen of het ene geloof beter is dan het andere, de ene waarheid beter dan de andere. Laat dat maar aan God over. Ja maar, kwam er toch maar steeds in mij naar boven, moeten we dan alles maar laten; moeten we dan alles zomaar accepteren? Is er dan geen onderscheid te maken? Die vragen moeten in de tijd van Matteüs ook naar boven zijn gekomen. Al het zaad, goed en slecht, tot de oogst laten opgroeien is een mooie gedachte. Niet oordelen ook. Maar dat kan toch geen vrijbrief zijn voor volkomen anarchisme? Alles maar doen wat je wilt, omdat het toch allemaal niets uitmaakt? Misschien daarom heeft Matteüs nog een stukje aan de parabel toegevoegd: Jezus’ uitleg ervan aan zijn leerlingen. En dan klinkt het allemaal heel anders. Dan gaat het niet meer om mildheid, om niet oordelen. Dan ligt de nadruk juist op het laatste eindoordeel. “Allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht, ze zullen in de vuuroven gegooid worden. Ze zullen daar jammeren en tandenknarsen.”Wij kunnen ons oordeel terug houden, maar uiteindelijk oordeelt God wel degelijk. God maakt een onderscheid tussen onze goede en onze kwade daden. Maar ook hier weer is het van belang te bedenken dat het zaad staat voor onze woorden en daden. Het zijn immers geen mensen die in de vuuroven worden gegooid. Nee, het kwade zaad wordt daar in gegooid. Aan het einde van de tijd zal God oordelen. Alles wat we goed hebben gedaan, alle liefde die we voelden, alle recht dat we deden, het zal stralen als de zon. Maar al onze onmacht, al ons kwaad en ons falen, het zal branden en meer weerom keren. Dan zal er vrede zijn. Pater Jan Haen C.Ss.R. (met dank aan “Het Woord Delen” Abdij Berne Heeswijk) |