Verkondiging tijdens de Paaswake in de Laurentiuskerk te Weesp - 11 april 2009

Eerste lezing: Genesis 1,1 - 2,2
Tweede lezing: Exodus 14,15 - 15,1
Derde lezing: Romeinen 6,3 - 11
Evangelie: Marcus 16,1 - 8

En uit vrees zeiden ze er niemand iets van – Met dit zinnetje eindigde het evangelie verhaal. Volgens Bijbelgeleerden was dit oorspronkelijk het laatste zinnetje van het hele evangelie volgens Marcus. Pas later heeft een ander er nog een stukje aangeplakt.

En uit vrees zeiden ze er niemand iets van..... Waarom niet? Omdat ze bang waren. Ziet U, Marcus schetst geen glorieus verrijzenis verhaal. Jezus is gearresteerd en is - na een kort proces – op een wrede manier ter dood gebracht. De apostelen, de zogenaamde trouwe leerlingen, zijn hem allemaal gesmeerd, zijn ondergedoken, hebben zich met leugens uit de voeten gemaakt. De vrouwen uit Jezus’ omgeving hielden langer stand. Die keken toe, vanuit de verte, bij zijn kruisdood en ze zagen hoe een rechtschapen mens, Jozef van Arimathea, (geen leerling, maar gewoon een nette vent), zich over het lijk ontfermde en voor een fatsoenlijk graf zorgde.

Eén dag ligt het hele verhaal vervolgens stil: Sabbat, “niemand de deur uit”. Pas als de rustdag achter de rug is, na zonsondergang, komen de vrouwen weer in beweging.

‘s Avonds kopen ze kruiden en zalfolie voor het balsemen. Bij zonsopgang gaan ze naar het graf, tobbend over die grote steen die ze weg zullen moeten rollen. En dan blijkt alles anders: de steen is weggerold, het graf is vrij toegankelijk. Een geheimzinnige boodschapper, een jongen in een wit gewaad, vertelt hun het grote nieuws: Jezus is niet meer in het graf. Hij hoort bij de levenden. Thuis, in Galilea zullen jullie allemaal hem weer zien. Dat heeft Hij toch gezegd! Ga het aan de apostelen vertellen en ga naar waar je thuis hoort, naar Galilea. En dan de ontknoping van het Marcus evangelie – de vrouwen, ze geloven het niet. Ze zijn bang. Ze houden hun mond.

Het boek is uit. Jezus zou verrezen zijn. De vrouwen hadden het moeten vertellen. Er had iets van vreugde moeten komen, alleluja! De vrouwen hadden de apostelen moeten opsnorren en met fonkelende ogen het grote nieuws moeten van vertellen. Maar nee hoor, niks, het verhaal eindigt met een anticlimax: de vrouwen horen dat ongehoorde van Pasen aan, maar ze zijn overstuur, bang, kruipen weg, houden hun mond.

Wat een vreemde ontknoping. Als die vrouwen er niet over begonnen zijn, wie dan wel? Als zij niks zeggen, wie vertelt het dan? Ja, wie dan wel? Er moet dus nog een andere getuige zijn. Wie? Niet de apostelen; niet de vrouwen. Niet de soldaten of doodgravers of toevallige voorbijgangers. Wie dan wel?

Marcus en wij, u en ik. Marcus vertelt en wij horen zijn verhaal. Wij weten het dus nu. Wij zijn aan zet. Wij moeten iets met die verrijzenis. Ja maar, protesteert u nu misschien: Marcus weet toch van die vrouwen en de apostelen. Later zijn ze toch wel gaan praten. Zo is Marcus toch aan zijn evangelie verhaal gekomen. Dat kan wel zo zijn, maar in het evangelieverhaal staat dat niet. Daar staat alleen: de vrouwen hielden hun mond. Dat vertelt Marcus aan zijn lezers. Marcus zit buiten het verhaal, maar hij weet het wel. Hij voelt dat Jezus niet in dat graf kon blijven, dat Jezus niet in het dodenrijk thuis hoort en dus zegt hij het. En wij horen het, het verhaal komt bij ons aan. En nu ligt het aan ons of ook anderen het zullen weten.

Ziet u, Marcus wil geen kerkgeschiedenis schrijven, geen analyse hoe het balletje is gaan rollen, hoe de leerlingen geleidelijk overtuigd geraakt zijn dat Jezus niet langer dood was, maar leefde, nee niet leefde, maar leeft. Want dat nieuwe leven heeft geen tijdsgrenzen, is blijvend. En wie van dat nieuwe leven hoort, moet geloven in het nu. Marcus wil maar één ding: dat de lezer moge geloven, niet omdat de vrouwen en de apostelen dat zeggen, maar omdat we Jezus zelf ontmoet hebben in het verhaal en door Hem geraakt zijn. Dat verhaal – we hebben vaak over Jezus gehoord, we weten hoe trefzeker hij sprak en handelde. We zijn gevoelig geworden voor de boodschap dat Hij met God te maken heeft, de schakel is tussen het goddelijke, het eeuwige en ons mensen. En nu hebben we afgelopen dagen van zijn ondergang gehoord, zijn lijden en zijn sterven. Nu moeten wij kleur bekennen. Want we moeten ja of nee zeggen tegen een hemelse boodschapper die het ongehoorde uitspreekt: dat Jezus verrezen is, dat Hij leeft. Want Hij heeft de dood overwonnen. En je komt Hem keer op keer tegen, thuis, op de plek waar het leven geleefd wordt. Je kunt Hem zien als je oog valt op de armen en de rechtelozen, als je kijkt naar degenen waar het in het Rijk Gods om draait: hongerigen, dorstigen, zieken, gevangenen, vreemdelingen enz. De apostelen en de vrouwen zijn nu buiten beeld, uitgeschakeld door lafheid en angst. Er is niemand meer over.

De enigen die nu over verrijzenis kunnen getuigen zijn wij. In de paasnacht worden wij uitgenodigd te spreken. Wij worden uitgenodigd door Marcus, die zijn evangelie zo negatief afsluit, dat alleen wijzelf het verhaal nog kunnen redden. Door op te staan en het verrijzenisverhaal tot het onze te maken. Door te geloven wat de boodschapper zegt: Ja, Jezus is geen grafmens, maar de levende.

We worden uitgenodigd om ja te zeggen op de geloofsvragen die de kerk deze nacht stellen gaat. De paasnacht is de doopnacht. We zijn blij dat Ramon Driesse, hier onder ons aanwezig, gedoopt gaat worden. We zijn blij dat wij gedoopt zijn. We zijn weer bij het begin: aan ieder wordt gevraagd het geloof van zijn of haar doopsel te vernieuwen. Ja zeggen tegen God die schepper is. Ja zeggen tegen God die zijn volk uit een donker slavenhuis bevrijdde en die zijn dienaar Jezus niet in het dodenrijk wilde laten, maar van de dood losmaakte. Ja zeggen tegen wat dat geloof in eigen leven inhoudt: leven vol inzet en dienstbaarheid, leven in hoop en vertrouwen, leven in liefde tot God en tot elkaar. We springen in het gat dat Marcus liet vallen. Wij zijn het die willen geloven in de verrijzenis, de levende aanwezigheid van Christus in ons leven. Wij zijn niet bang om te getuigen.

pater Jan Haen C.Ss.R.