Verkondiging op 10 januari 2010, Doop van de Heer, in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te Muiderberg

Eerste lezing : Jesaja 40,1-5 + 9-11
Tweede lezing : Titus 2,11-14
Evangelie : Lucas 3,5-15 + 21-22

Ik neem aan, dat wij allemaal hier aanwezig, gedoopt zijn. Ik neem aan dat het merendeel van ons hier aanwezig, geen enkele herinnering heeft aan deze doop buiten een doopkaars, en/of een doopbewijs. Onze ouders hebben ervoor gekozen om ons te laten dopen. Dat vonden zij goed. En wat dat verder voor ons betekent, daar zijn wij al ons hele leven mee bezig, niet altijd even bewust. Maar toch. En laten wij eerlijk zijn, we zijn er ook nog niet helemaal uit.

Vandaag neem ik u mee in het doopverhaal van Jezus zoals dat beschreven staat in het Evangelieverhaal volgens Johannes. Johannes, de zoon van Zacharias en Elizabeth, is inmiddels volwassen geworden. Het kleine jongetje, geboren uit een onvruchtbare schoot, is uitgegroeid tot een bijzonder mens. Hij leeft sober en woont aan de oever van de grensrivier, de Jordaan.. Hij preekt als een oudtestamentische donderprofeet. Hij benoemt wat recht is en wat krom. Hij aarzelt niet de mensen voor radicale keuzes te stellen. Bekeer je voor het te laat is, want ook al lijkt de hemel gesloten, onze God gaat komen. Kom op mensen! Wie zijn huid wil redden, moet zich wassen. En de mensen – die staan in de rij om zich te laten dopen. Zij willen erbij zijn als dat nieuwe tijdperk aanbreekt. Ze gaan kopje onder in de rivier als teken van inkeer en een nieuw begin. De mensen voelen zich aangesproken door de woorden van Johannes en zijn oproep tot bekering .Maar ik vraag mij af of het niet teveel aan de oppervlakte blijft. Johannes realiseert zich dat ook want zegt hij; “Na mij komt er iemand anders, sterker. Niet iemand zoals ik, een man die met onderdompeling in een rivier doopt, maar iemand van Geest en vuur!”

We lezen verder, dat Jezus zich bij de bekeerlingen heeft gevoegd, en net zoals zij, kopje onder is gegaan in de rivier de Jordaan. Maar hij klimt niet meteen op de oever zoals de anderen. Voor Jezus is het een heel bijzonder moment. Het is een moment tussen hem en God. Want er staat, “terwijl al het volk zich liet dopen en Jezus na zijn doop in gebed was…” Het verhaal vermeldt niet met welke woorden Jezus bidt, hoe het gesprek tussen hem en God verloopt. Maar het resultaat van zijn gebed wordt wel zichtbaar. De doop in het water is voorbij – het teken van openstaan voor wat komen gaat is gebeurd. Het is het gebed van Jezus dat voortduurt. Met de open hemel heeft Jezus innig contact. En dat is wederzijds. Het initiatief ligt bij de Stem, vanuit het onbekende, de hemel. En die kiest hem, en geeft hem de naam Zoon. Welbeminde zoon wel te verstaan. De man Jezus krijgt Gods adem als levenwekkende oerkracht over zich uitgestort, of milder gezegd, de Geest die als een duif tevoorschijn komt. En Jezus zal die levenswekkende kracht uitgieten over allen die zich laten dopen.

En zo verandert dit doopverhaal het oude tijdperk, waar Johannes de doper de laatste van zijn soort is - een profeet, prediker van Gods oordeel - in een nieuw tijdperk, dat aangebroken is met de man Jezus, een man van vuur en vol van Gods Geest; de man die mildheid aankondigt en erbarmen laat zien.

In de naam van deze Jezus zijn wij gedoopt. De naam van Jezus is op ons gelegd. “Ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”. Wij zijn gedoopt tot Kind zijn van God: aan Hem behoren wij toe. Zoals bij de keuze voor Jezus, is de keuze van God ook op ons gevallen. De meesten van ons waren te klein toen dit gebeurde. Hoe maak je zoiets waar?

Het feit dat Jezus zich na zijn doop in gebed tot God richt, is mijn inziens een belangrijk gegeven. Het geeft aan dat Jezus betrokken wil zijn op God. En Hij, Jezus neemt er de tijd voor.

Bidden. Bidden is je afstemmen op wat er werkelijk toe doet in je leven. Bidden is in je binnenste ruimte maken voor de stem die alleen daar woordeloos kan klinken. Bidden houdt de naam mij opgelegd , namelijk, zoon/dochter te zijn van God, levend: de vonken Geest in mij neergelegd, blijven daardoor brandend. Dit doopverhaal maakt duidelijk dat gedoopte mensen  biddende mensen behoren te zijn, volhardend elke dag opnieuw. Zo blijft de band tussen ons en onze Naamgever bestaan, wordt deze versterkt en werkelijk geleefd. Gedoopt zijn is dus een ding. Maar zonder bidden wordt wat in de doop en van de doop verwacht wordt niet waargemaakt. Dat wij biddende mensen mogen zijn en dat nog meer worden dat is mijn wens en verlangen voor u en mij vandaag. Amen

Pater Jan Haen C.Ss.R.