Verkondiging op 1 april 2010, Witte Donderdag, in de Laurentiuskerk te Weesp
Eerste lezing: Exodus 12,1-14 Jezus vermoedde het waarschijnlijk zelf al; dat al de verhalen over zijn roeping, over de komst van het Koninkrijk en hoe zij als uitverkoren leerlingen daarin in rol zouden spelen, hun doel finaal hadden gemist. Onbegrip, misverstanden en zelfs onderlinge rivaliteit over wie in die nieuwe constellatie een hoge functie zou gaan bekleden: dat is wat de twaalf leerlingen vooral bezig hield. Dus wat deed Jezus, Hij schakelde op dit kritieke moment, over op een niet mis te verstane lichaamstaal. Tot verbijstering van al zijn tafelgenoten knielde hij voor elk van hen neer en waste hun voeten. Slavenarbeid, de minste willen zijn, hoe is dat te rijmen met dat koninklijk onthaal bij de intocht in Jeruzalem met gezang, en palmtakken enz. enkele dagen eerder? En wat blijkt – de eersten zijn de laatste, de minsten worden de grootste, de wereld op zijn kop. Dat meende Hij dus echt. En of dat al niet genoeg was, draaide het hele gesprek daarna om zijn arrestatie die nacht. De vijand had niet stilgezeten. Waarom was Jezus toch zo tekeer gegaan in de tempel, met een stuk touw de handelaars en geldwisselaars wegjagen? Dan vraag je toch om moeilijkheden. En je kunt het echt niet permitteren om te spotten met die tempel, het gewijde centrum van onze wereld. Breek hem af, had Jezus uidagend geroepen, en ik bouw hem in drie dagen weer op. Zo’n uitspraak vergeven ze je nooit, dachten de leerlingen. Ja het volk was enthousiast, had hoge verwachtingen, maar terzelfder tijd heeft hij de mensen en ook zijn vertrouwelingen in verwarring gebracht, vonden ze. Ook bij de Romeinse overheden was de alarmbel gaan rinkelen. Die waren als de dood voor weer zo’n raddraaier. Ze voelden de onrust groeien in de overvolle stad. Komen deze dingen ons bekend voor – Deze kerk afbreken , de investeringen van kerk om zo groot mogelijke opbrengsten te garanderen , vervelende vragen stellen over gedrag van gezagsdragers en ga zo maar door. De Duitse dichter Novalis, mijmerend over wat een liefdesmaal is, formuleert heel kernachtig wat daar gebeurt – ‘Je eet metterdaad van je vriend en je leeft van hem’. Dat is precies wat Jezus bedoelde toen Hij met zijn vrienden rond de tafel zat en het brood brak en ronddeelde.”Neemt en eet, dit ben IK”. En Hij keek ze één voor één diep in de ogen. Lichaamstaal. Die blik zouden ze hun leven lang in hun binnenste voelen branden. Blijf aan Mij denken als je samen eet en drinkt. Een opdracht aan hen, om dat Rijk van God, dat Hij in alle toonaarden had bezongen, een paar stappen dichterbij te brengen. Een liefdesmaal vraagt om een welkome tafel, waaraan je geen oordeel kunt eten en drinken. Onvoorwaardelijk, zonder condities, word je daar aanvaard, vol vertrouwen in de liefhebbende gastheer. En dat onvoorwaardelijk hoef ik toch niet verder uit te spellen, ondanks alle ophef in de kerk recentelijk. Het avondmaal eindigt chaotisch. Judas heeft een niet duidelijk geworden opdracht, die hij met de dood moet bekopen. De rest van de twaalf tafelgenoten, op drie na, verdwijnt in de nachtelijke duister. Jezus op zichzelf terug geworpen, komt daar in een geestelijke crisis terecht. Ontreddering, angst en twijfel slaan genadeloos toe. Moeizaam breekt het besef van zijn roeping door de angstdromen heen. Dan staat Hij rechtop, klaar voor zijn taak. Jan Haen C.Ss.R. (met dank aan Berne Heeswijk – Het Woord Delen) |