Verkondiging op 23 mei 2010, Hoogfeest van Pinksteren, in de Laurentiuskerk te Weesp

Eerste lezing: Handelingen 2, 1-11
Evangelie: Johannes 20, 19-23

 

Beste mensen,

 

          Wanneer wij steeds opnieuw horen - en  soms zelfs ook zien - wat mensen elkaar aan narigheid en ellende allemaal aandoen, dan zullen wij ons afvragen: "Wat bezielt die mensen toch?" "Wat leeft er in hen?" "Hoe kunnen  sommige groeperingen of personen staan te juichen als zij medemensen de dood hebben ingejaagd door hun gewetenloze activiteiten?" Vol trots eisen zij soms de verantwoordelijkheid op bij een grote ramp met doden en gewonden. Voor hen is iedereen die niet achter hun ziekelijke ideeën staat een vijand, die vernietigd moet worden.

          Zó erg zal het bij ons allen - zoals wij hier samenzijn in deze kerk - zeker niet het geval zijn. Maar tóch! In deze tijd komen er steeds meer gevallen aan het licht waarin mensen (van wie wij het nooit hadden verwacht) andere mensen onrecht hebben aangedaan door hun macht te misbruiken: zoals bijvoorbeeld in internaten. Maar óók in andere gevallen, bijvoorbeeld in gezinnen, kan het mislopen.  Ondanks alle goede wil is het toch soms moeilijk om altijd de liefde voor 100 % gestalte te geven.

          Daartoe hebben wij een grote innerlijke kracht nodig, waarover wij zelf vaak niet van nature beschikken. Dus moet er een kracht "van buitenaf" aan ons geschonken worden. Om die kracht bidden wij vandaag op Pinksteren:

 

                              "Kom, Schepper Geest, daal tot ons neer,

                               houdt Gij bij ons uw intocht Heer.

                               Vervul het hart, dat U verbeidt,

                               met hemelse barmhartigheid."

 

        En als wij dat ècht verlangen (en wie twijfelt daar nu aan?) dan mogen  wij vol vertrouwen ook zingen:                    

 

                              "Wat altijd is geweest,

                                het waaien van de Geest,

                                gebeurt aan ons vandaag.

                                Dat vuur van het begin,

                                wij ademen het in:

                                Gods woord dat antwoord vraagt."

 

          Dat woord van God wordt ons gegeven via Jezus. Hij bracht ons de Blijde Boodschap.

En toen Hij niet meer "in levende lijve" bij zijn leerlingen was, stortte Hij de Geest die Hem bezielde in hen. Vanaf dat ogenblik werd aan de apostelen nieuw leven ingeblazen. De mensen die naar Petrus luisterden bij zijn toespraak op Pinksteren hoorden "als het ware" Jezus zèlf spreken. Jezus, het woord van God - zoals Hij genoemd wordt -,  kreeg het goede antwoord van Petrus, en van alle andere apostelen. Zijn gehoor bestond uit mensen van vele landen. En toch verstonden zij Hem. Hoe kon dat? Dat weet ik niet. Maar de taal van de liefde spreekt iedereen aan!: dàt weet ik wèl. Een liefdeloze taal - met alleen geboden en verboden - brengt afschuw te weeg. Want dàt is niet de boodschap van Jezus, die gezegd heeft dat er eigenlijk maar één gebod is, namelijk de liefde: "Wie de liefde heeft, vervult de wet." En uit liefde vervullen wij dan bijvoorbeeld de wensen van ouders aan hun kinderen -,  de wensen van kinderen tot hun ouders -, de wensen van zogenaamde onderdanen aan hun overheden .

          Maar als er geen liefde is, dàn komt er ook geen liefdevol antwoord. Niet voor niets heeft Jezus ons - naast het gebod om  God lief te hebben - dat tweede gebod gegeven: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. Als je vergeet dat de liefde van twee kanten moet komen, dat er een over-en-weer moet zijn, dan gaat het mis. Dan wordt het gebod om de ander lief te hebben een gebod tot slavernij. Dàt is niet het gebod dat Jezus ons gegeven heeft. Wat Jezus ons aanzegt is: "heb elkaar lief". Als mensen overmacht menen te moeten hebben vanwege hun ambt bijvoorbeeld, dan voelen  wij dat we niet meetellen, en alleen maar worden betutteld. En dat wil toch niemand. De Geest van Jezus is óók in ons, in medemensen uitgestort. Dus wat wij en zij menen te moeten doen om echt op Jezus te gelijken, kan heel goed méér waard zijn dan wat anderen - vanwege hun ambt bijvoorbeeld  - menen te moeten opleggen.

          Wij hoeven geen "jaknikkers" te zijn  om toch echt christen-gelovigen te mogen heten.

          Kom heilige Geest! Beziel ons!

          Amen.

 

          Henk Samsom, emerituspastoor