Verkondiging tijdens de Eerste Communieviering op 6 juni 2010 in de Laurentiuskerk te Weesp

We hebben naar twee verhalen geluisterd en gekeken. Het eerste ging over die jongen die als koetsier naar de Krim een reis maakte. We weten dat het een heel oud verhaal is, want anders had die jongen wel met een auto gereden. Van de ene stad naar de andere reizen duurde dan ook heel lang. Van Weesp naar Rotterdam met een koets bijvoorbeeld: daar had je wel minstens twee dagen voor nodig.

Met zo’n lange reis kreeg je honger. Dan kon je onderweg stoppen bij wat een herberg genoemd werd – een soort hotel en café. De route die de jonge koetsier op de terugweg moest nemen was heel lang en er waren geen herbergen. Dus het was goed dat die jongen gedaan had wat zijn vader hem gevraagd had, namelijk alle kruimels, al het overgebleven eten verzamelen en als een cadeau voor hem bewaren. Want toen hij en zijn passagiers vreselijke honger kregen, hadden ze met die kruimels toch net genoeg te eten om de reis van drie dagen te kunnen overleven.

Eigenlijk, zo weten wij nu, maar wisten de jonge koetsier en zijn passagiers toen niet, dat zijn vader heel goed voor hen allemaal gezorgd had. Dat was dus een hele goede vader en zijn zoon had heel goed naar hem geluisterd.

Het tweede verhaal ging over Jezus. Dat verhaal wordt al bijna 2000 jaar verteld. Jullie zijn echt niet de eerste. Honderden mensen waren naar Jezus gekomen om naar hem te luisteren. Hij was buiten de stad. Jezus kon heel goed vertellen en zijn luisteraars vonden dat meer dan de moeite waard. Want wat Jezus vertelde klonk zo echt. Ze voelden dat als ze zouden doen wat hij vertelde, dat dat heel  goed zou zijn – ja voor iedereen. Maar ja – horen is één maar doen is iets anders.

Het werd laat en Jezus zei dat het misschien beter was dat ze terug naar huis zouden gaan. Maar een van zijn beste vrienden, Fillipus, vond van niet, want ze zouden onderweg misschien flauw vallen van de honger. En Jezus zei toen, “Nou dan, geef ze te eten!” Maar daar hadden zijn vrienden niet op gerekend. Hoe moesten zij honderden mensen te eten geven – er was geen winkel in de buurt en bovendien ze hadden helemaal niet genoeg geld. Maar Jezus wist dat er tussen die honderden mensen best heel veel waren die eten bij zich hadden. Maar dat lieten ze niet zien, want als zij dan zouden gaan zitten eten, zouden zij zich schamen dat de mensen naast hun niks te eten  hadden. Nee beter niet eten, dan kom je tenminste zelf niet tekort, dachten ze.

Eén jongetje kon het eten dat hij bij zich had niet tussen zijn kleren verbergen. Hij had vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus vroeg het jongetje of hij bereid was het eten dat hij bij zich had met anderen te delen. Dat jongetje was zo onder de indruk van Jezus die zo mooi kon vertellen, dat hij niet aarzelde om daarmee in te stemmen. Jezus bad een gebed, en begon de broden in stukken te breken en met het jongetje uit te delen. En toen die honderden mensen dat zagen, begonnen de mensen die iets bij zich hadden het tevoorschijn te halen en hetzelfde als Jezus te doen. Het breken en uitdelen. “Waarom niet!” moeten ze gedacht hebben. Achteraf  bleek dat er meer dan genoeg eten aanwezig was. Want. nadat iedereen genoeg gegeten had, waren er zelfs nog manden vol over!

Jezus wist – als je bereid bent te delen met anderen, dat er dan wonderlijke dingen kunnen gebeuren – en dan hoeft niemand honger te lijden of dorst te hebben, of onvoldoende gekleed te gaan, of eenzaam te zijn, of niet verzorgd te worden wanneer ze ziek waren of gehandicapt, of vergeten in de gevangenis.

Jezus geloofde hier heilig in. Hij had heel goed geluisterd naar Iemand die Hij zijn Vader noemde. Hij had deze grote Vader nooit gezien, maar wel leren kennen door de verhalen uit de Bijbel. En deze Vader die in de Bijbel God genoemd werd, was net zoals die vader van de jonge koetsier uit het eerste verhaal. De vader van de jonge koetsier had er alle vertrouwen in dat hij goed voor zijn passagiers zou zorgen. En die grote hemelse Vader van Jezus, die wij God noemen, had alle vertrouwen in Jezus dat hij de juiste dingen zou zeggen en doen die goed waren voor mensen of ze nu honger of dorst hadden, of ziek, of eenzaam, verwaarloosd , vergeten, misbruikt of bang.

Ja- van Jezus kunnen wij heel veel leren. En Jezus heeft er alle vertrouwen in dat alle mensen hier in de kerk bevoordeeld, en jullie die hier voor de eerste keer de heilige communie zullen ontvangen, veel van Hem zal kunnen leren.

Jezus zei van zichzelf – Ik ben brood om van te leven. En heeft jullie, en mij en miljarden mensen al bijna 2000 jaar lang, uitgenodigd met zijn woorden – Eet van dit brood, en drink deze wijn om mij, en wie ik ben, nooit te vergeten.”

Dat is geweldig niet waar? Nu gaan jullie dat voor de eerste keer doen – Eten van dit bijzondere, heilige Brood. En als jullie dat regelmatig blijven doen, dan ben ik er zeker van dat jullie zoals die jonge koetsier zullen worden – namelijk zorgzaam en meelevend en delen met mensen die honger of dorst hebben, onvoldoende kleren hebben, die ziek, eenzaam of bang zijn.

En dan weet ik dat deze, onze wereld waarin wij leven, een stukje beter word. Dat zal een zegen zijn.

 

Pater Jan Haen C.Ss.R.