Verkondiging op 13 juni 2010, Elfde zondag door het jaar, in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te Muiderberg
Eerste lezing: 2 Samuel 12,7-10.13 Die vrouw in het evangelieverhaal staat in tranen achter Jezus. Jezus ligt aan tafel met zijn voeten naar achteren in het huis van Simon de farizeeër. Ze knielt, droogt de voeten van Jezus met haar haren. Ze kust zijn voeten. Ze zalft ze met balsem. En de gastheer, de farizeeër voelt zich niet thuis in eigen huis. Hij geneert zich. Jezus moet toch weten wat voor een vrouw dat is, hoeveel mannen heeft ze al niet versleten. Simon voelt zich ongemakkelijk bij de intieme aanrakingen tussen Jezus en deze vrouw. Wie wil hij beschermen.? Jezus tegen die vrouw die hem met haar viezigheid besmeurt. Of wil hij zichzelf beschermen? Hoe staan wij in dit verhaal? Wat vind u van die vrouw en die intimiteit tussen haar en Jezus? Stelt u zich voor. U bent erbij. U zit daar aan tafel. Op Televisie achter een scherm van glas, is intimiteit aardig om naar te kijken. Maar zo dichtbij als die vrouw in het verhaal bij iemand komt en dan nog bij Jezus. Die de heiligheid zelf is. Zouden wij ons niet net zo ongemakkelijk voelen bij deze intimiteiten als Simon? En Jezus. Hij zegt niet – nee niet doen en zeker nu niet. Integendeel. Hij laat zich haar tranen, haar haren, haar zalvende handen welgevallen. Hij Jezus, die zelf de Gezalfde wordt genoemd, de Messias, láát zich zalven. Het doet hem goed, zoals zij zich aan hem geeft met heel haar ziel en met heel haar lichaam. Voor Jezus is het gewenste intimiteit. Geen ongewenste intimiteit. En het is niet de vrouw die door Jezus aangesproken wordt, maar Simon. “Simon ik heb u iets te zeggen.” Dat is duidelijk menens. En hij zegt het in de vorm van een parabel, een verhaal. En dat verhaal maakt duidelijk hoeveel deze vrouw van Jezus houdt, en in woorden uit de eerste lezing van vandaag, “haar verbrijzeld hart geeft.” Jezus weet best wel wat voor een rottigheid er is in haar leven: hoe ze hartstochtelijk anders verlangt maar wegen gaat, die haarzelf en anderen kapot maken. Jezus ziet hoe ze in Hem iemand vindt, die ze altijd al heeft gezocht. Bij wie ze zich gekend weet, bij wie ze zichzelf kan zijn. Haar geloof, haar vertrouwen, haar overgave, is haar redding, zo eindigt het verhaal. Deze vrouw is voor ons ook een voorbeeld, toch! Dat je jouw verbrijzelde hart, je rottigheid, of wat daar voor doorgaat aan iemand kan toevertrouwen. Dat je iemand vindt bij wie je liefde en veiligheid vindt. Wij zien mensen om ons heen, wij zien onszelf verharden, vastzitten in eigen gelijk, met de behoefte onszelf te rechtvaardigen…zo moeilijk is het om onze kwetsbaarheid te tonen, om vergeving te vragen. We kunnen wel kwaad zijn, elkaar en onszelf verwijten maken, maar het verbrijzeld hart geven…? Het is ook niet niets! Bij wie is het hart veilig? Je houdt je hart vast, letterlijk en figuurlijk. Bij wie kan je je laten gaan? Ik hoor weleens, “Ik kan dat alleen, als ik alleen ben…dan soms even janken, de haren los, de make-up laten lopen…kun je het nog aan me zien?” Sorry zeggen ze wel, heel vaak. Sorry is gauw gezegd. Sorry, maar ik kon het ook niet helpen, want…en dan volgt de verdediging. Of er wordt gezegd: “Ik ga niet zeggen , dat het me spijt, want dan ziet hij dat als een teken van zwakte! Dat moet je nooit doen.” Dat is de wijsheid van deze wereld. Kun je de ander vragen of die verder met je wil? Kun je laten blijken, dat jij zo graag verder wil? Het verhaal van Simon en de vrouw met het albasten vaasje is een droomverhaal, een verhaal van verlangen. Tegelijk maken wij het vaak mee in ons midden. Ik kwam de volgende twee verhalen van overgave tegen. Gerrie liet zich dopen. Veel, heel veel was goed in haar leven. Ze was wat je noemt een geslaagde vrouw, maar ze had ook een oude wond. Ze was verwikkeld in een strijd met haar strenge koude moeder. Ze zocht haar moeder, kon haar niet bereiken. Heel lang heeft ze geaarzeld om lid te worden van onze kerk, om te gaan wonen in het kerkelijk huis waar ze zich thuis voelde. Ze is toch gekomen..Toen water over haar stroomde, begon alles te stromen. De Heer zalfde haar, zij zalfde de Heer. En Chris, een jongen van veertien, met ouders in de vernieling, moeder inrichting in, inrichting uit, vader op zoek naar een ander…Chris z’n blik was hard, gesloten als een oester, die jongen. Ook hij liet zich dopen. Het water stroomde, vergeving stroomde, liefdesverlangen stroomde. Ook zijn moeder was erbij en zijn vader. Ze waren weer even samen. Allen die daar waren werden gezalfd in geloof, vertrouwen en liefde. – net zoals bij die vrouw in het verhaal. Zo is dat.
Pater Jan Haen C.Ss.R. (met dank aan “Het Woord Delen” Berne Heeswijk)
|