Verkondiging op 11 juli 2010, de Vijftiende Zondag door het Jaar in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te MuiderbergEerste lezing: Deuteronomium 30,10-14Evangelie: Lucas 10, 25-37
Beeld van God zijn De media en internet verspreiden dagelijks meldingen over diefstal , beroving en geweld. Het advies van hulpverleners is meestal – meteen uw geld maar af te geven want uw leven is meer waard dan uw handtas of geldpasje. Welke plaats nemen wij in dit evangelie verhaal in? Horen wij bij de rovers, die gewetenloos, brutaal handelen en plunderen om aan geld en rijkdom te komen. Ik denk het niet. Hoop het in elk geval. Maar lichamelijk geweld is niet de enige manier om iemand de stuipen op het lijf te jagen. Een leugen kan al volstaan om iemand te kleineren, of een kwetsende grijns, een bijtende sneer. Hoe snel heb ik er mijn voordeel uit gehaald ten koste van de ander? Nee rovers slaan niet altijd met fysiek geweld toe. Vaak volstaat een kleine, subtiele kritiek of lafhartigheid of venijnigheid. Waar staan wij eigenlijk in dit verhaal? Bij de eerste twee toevallige voorbijgangers, de priester en de Schriftgeleerde? Nee daar staan wij niet. Kerk en wereld zorgen voor een onderdak voor daklozen en vluchtelingen, opvanghuizen voor mensen in nood, voedselbanken voor mensen in crises situaties. Nee, we laten niemand zomaar liggen die in de handen van rovers gevallen is. Wij hebben een goed gestructureerde maatschappij die de nodige voorzieningen treft. Ons Europees sociaal systeem is niet volmaakt maar wel redelijk. Maar zo’n tevreden houding hekelt Jezus in de gelijkenis die wij vandaag horen. Jezus klaagt precies die mensen aan die op weg van Jeruzalem naar Jericho, een haveloos slachtoffer van rovers langs de weg zien liggen en er volgens hem compleet naast zitten met hun beoordeling van de situatie. Niet dat ze geen aandacht besteed hebben - uit luiheid of harteloosheid niets willen doen om te helpen. Niets daarvan De voorbijgangers zien vol kommer die man daar liggen, maar ze hebben belangrijkere en dringender zaken te doen. Ze kunnen zich om die reden niet verder met de zaak bezig houden. Ze komen van Jeruzalem, van de tempel, van godsdienstige, religieuze, politieke zaken. Daar moet aan gewerkt worden. De Samaritaan kwam niet van de tempel. Samaritanen geloven immers niet dat je daar God moet dienen. Op zijn reis wordt de Samaritaan wel door het gebeuren getroffen, diep in zijn hart. Hij krijgt medelijden. “Hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze: daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem”. Zo staat het in het evangelie. Jezus vraagt – wie van deze drie lijkt de naaste te zijn geworden van de beroofde man? Het antwoord: "Die Hem barmhartigheid betoond heeft". En Jezus sprak: “Ga dan en doet gij evenzo.” We onthouden wel van het verhaal dat wij weldoeners moeten zijn. Maar er is meer. Jezus stelt in het verhaal eigenlijk de vraag welke mensen echt beeld van God zijn en hoe mensen beeld van God worden of zijn. Waar het op aan komt is beeld van God willen zijn. Beeld van God willen zijn veronderstelt de inzet van al je kracht, al je verstand, al je fantasie, en de inzet van hart en ziel. Barmhartigheid doen. Het is de naam van God waarachtig en echt en vinden deze terug in de Bijbel. De wetgeleerde vraagt aan Jezus: "wie is mijn naaste?" Maar de vraag naar God heeft hij niet gesteld. In zijn verhaal beantwoordt Jezus de vraag over de naaste en de niet gestelde vraag naar God, tegelijk. De juiste vraag blijkt te zijn: "Voor wie ben ik de naaste?", en niet - "Wie is mijn naaste?". Het is de weg die Jezus gegaan is. En Hij is beeld van God zonder meer. En Jezus zei – "Ga dan en doet gij evenzo". Doen dus. Dan zullen wij God zien. Amen Pater Jan Haen C.Ss.R.
|