Verkondiging op 8 augustus 2010, Negentiende zondag door het jaar, in de Laurentiuskerk te Weesp

Eerste lezing    : Wijsh. 18, 6-9

Tweede lezing : Heb. 11, 1-2 + 8-12

Evangelie        :  Lucas 12, 32-48              

 

‘Het geloof is een vaste grond voor wat wij hopen ’het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.’

Zo wordt het Christelijk geloof omschreven aan het begin van de passage uit de brief aan de Hebreeën die we zo – even beluisterd hebben. Tot dat geloof werd Abraham geroepen.

Hij gaf gehoor aan de roepstem van God en ging op weg, zonder te weten waarheen.

Ten diepste geraakt door de roepstem van God, heeft hij zich vol vertrouwen in een avontuur gestort zonder te weten wat hem te wachten stond.

Laten wij ons vandaag ook nog in beweging brengen door God? Staan wij nog open voor zijn roepstem? Laten wij ons in de diepte van ons hart raken voor zijn boodschap? Laten we ons nog doordringen met de geest van God?

We leven in een snelle tijd waarin we het als mensen toch zo druk hebben…Er is zoveel dat we ‘moeten. doen. Voor van alles en nog wat is het aanbod zo groot dat we telkens opnieuw een keuze mogen, maar ook moeten maken.

 

Veel tijd van ons leven brengen wij door met wachten. Dat vinden we soms heel moeilijk.

We zoeken de kortste rij bij de supermarkt. Bij bank en postkantoor vinden we te weinig loketten open. We moeten wachten op de uitslag van het examen. We ergeren ons aan de lange wachtlijsten van de ziekenhuizen, moeten wachten op de bus, de trein die te laat is, wachten in de file, en ’s avonds wachten voor de televisie totdat het beter wordt. Wachten is moeilijk.

De eerste leerlingen van Jezus zaten na zijn dood te wachten op zijn wederkomst. Dat viel niet mee. Marcus en Matteüs, die een spoedige wederkomst verwachtten, waarschuwen hun mensen: let op, want de Heer komt plotseling, zeggen ze, als een dief in de nacht.

 

Lucas, waaruit we vandaag lezen, denkt echter dat het nog wel enige tijd zal gaan duren. Hij vertelt over Jezus als over een heer die naar een bruiloft is, en voordat hij terugkomt, lang op zich laat wachten.

Al die tijd moeten ze wachten en blijven geloven dat hij ( ook al duurt het langer dan verwacht) komen gaat.

Wachten en blijven geloven in de goede afloop was toen al moeilijk. Het is zeker voor ons, die leven in een tijd waarin tempo, efficiency en snel resultaat worden verwacht.

 

In de tweede lezing gaat het over Abraham en Sara, de aartsvader en aartsmoeder, de twee waarin het joodse volk zijn oorsprong heeft. Ze zijn in meer dan één opzicht voorbeelden voor hun nakomelingen.

Zo wordt van Abraham verteld dat hij op een goede dag wegtrok uit zijn vertrouwde omgeving om elders nieuw land te vinden en een nieuwe toekomst op te bouwen. Hij ging op weg, gelovend dat God hem de weg zou wijzen. En terwijl anderen dachten dat hij gek was, meende hij nieuwe wegen te moeten gaan, al zou het nog zo lang duren. Hij kon wachten, en bleef – eigenwijs en koppig – geloven dat het goed zou komen.

 

In de jaren zestig sloeg onze kerk nieuwe wegen in. Er ging gezocht worden naar nieuwe vormen van kerk-zijn, naar nieuwe vormen van geloven, nieuwe vormen van liturgie, een nieuwe catechese, een nieuwe gebedstaal. Meer dan Veertig jaar later denken velen: hadden we het niet beter bij het oude kunnen laten?

Ik denk van niet. Ik denk dat we, net als Abraham, terecht op weg zijn gegaan, op weg moesten, om te zoeken naar nieuw land, een nieuwe toekomst voor onze kerk. En voor wie dan? Voor ons zelf, maar vooral voor onze kinderen, onze klein kinderen, de mensen van morgen.

Dat is dan mooi mislukt, zult u zeggen, want waar zijn die kinderen dan? Ik zie geen jeugd meer in onze kerken. Waar zijn die mensen van morgen? Onze oude heilige moeder de kerk is versleten. Onze geloofsgemeenschappen zijn grijs geworden, en straks moet de laatste het licht uitdoen.

 

Aan hen die zo denken, en vinden dat we in de jaren zestig de verkeerde wegen zijn gegaan, en dat onze kerk nu op sterven na dood is, vraag ik vandaag te wachten, te wachten en te blijven geloven

Abraham en Sara hebben hun leven lang op kinderen gewacht, en pas in hoge ouderdom, pas toen werd hun hartenwens vervuld, en kregen zij alsnog ‘een nageslacht, talrijk als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand van de zee’.

Inderdaad, onze heilige moeder de kerk is oud geworden, en de geloofsgemeenschap grijs, maar ons geloof zal vrucht dragen en nieuw leven baren, ooit. Wat wij moeten doen, is wat Abraham en Sara deden: wachten, waken en blijven geloven.

 

Nico van Bragt, lid liturgiegroep