2 Koningen 5, 14-17, Lucas 17, 11-19
Melaatsheid is een afschuwelijke ziekte. Ik kan het weten. In 1976 was ik op bezoek bij een confrater in Zimbabwe. Het land heette toen nog Rhodesia. Samen gingen wij een vriend opzoeken die in een dorp voor melaatsen werkte. Hij vroeg ons de Eucharistie voor deze mensen te vieren. Natuurlijk deden we dat. Maar ik moet toegeven: het was wel eventjes wennen communie uit te delen op tongen uit monden die deels opgevreten waren door de ziekte, de vredeswens te geven aan handen zonder vingers.
In de traditionele vertalingen van het evangelie van vandaag is er sprake van de genezing van tien melaatsen. Melaatsen verdienen medelijden, altijd en waar dan ook, zeker de melaatsen in het Israël uit de tijd van Jezus. Want de ziekte werd toen gezien als het gevolg van een zondig leven. Als zondaars werden ze totaal afgezonderd van het volk van God. In het Bijbelboek Leviticus lezen we een verbod van de Tora: “Wie door huidvraat aangetast is, moet zijn kleren scheuren, zijn haar los laten hangen, baard bedekken en ‘Onrein, onrein!’roepen. Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als onreine moet hij apart wonen.
Het is misschien opgevallen dat hier niet het woord “melaatse” klonk, maar wel “iemand die door huidvraat is aangetast.” In de nieuwe Bijbel vertaling komen in het evangelie tien mensen Jezus tegemoet “die aan huidvraat leden”. Het is dus de vraag of het enkel om melaatsheid ging, zoals traditioneel wordt aangenomen. Het kan ook psoriasis of een andere haast ongeneeslijke huidziekte geweest zijn, maar wellicht was het een term waaronder ook melaatsheid viel. Je zou kunnen zeggen dat het in ieder geval om een beladen begrip ging, vandaag zou het woord ‘Aids’ vallen. Het heeft dan dezelfde componenten: besmettelijk, in een aantal gevallen haast ongeneeslijk, en in sommige fundamentalistische gemeenschappen – tot in West Europa toe – zelfs gezien als gevolg van zonde.
Hoe dan ook, in de tijd dat Jezus leefde gingen zij gebukt onder een zware, drievoudige last. De melaatse was vooreerst het slachtoffer van de ziekte, vervolgens werd hij of zij verstoten door familieleden en vrienden, en daar bovenop zat hij met een kwellende wroeging vanwege een begane of vermeende schuld.
Ondanks hun vrijwel totale afzondering hebben deze melaatsen gehoord van de heilsdaden van Jezus. Toen Hij op weg naar Jeruzalem door het grensgebied van Samaria en Galilea trok en daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan huidvraat leden. Ze bleven op een afstand en riepen: “Jezus, meester, heb medelijden met ons”. Wat doet Jezus? In een gewoon verhaal zou hij de handen opleggen en de zieken genezen. Hier stuurt hij ze naar de priesters: “Ga u aan de priesters laten zien.” Terwijl ze gingen, werden ze gereinigd. Jezus handelt hier in overeenstemming met de joodse wet. Daarin zijn de priesters verantwoordelijk om de eventuele genezing te constateren en toestemming te geven om naar de samenleving terug te keren. Het zijn trouwens ook de priesters die de ziekte moeten vaststellen: zodra er rauwe plekken bij hem of haar te zien zijn, is hij of zij onrein. Zo staat het in de voorschriften.
De tien melaatsen voeren de opdracht van Jezus uit. Ze gaan naar de priesters en worden gereinigd. Van negen van de tien die gereinigd zijn, horen wij verder in het verhaal niets meer. Laten we het beste veronderstellen, we gunnen hen het voordeel van de twijfel: in dat geval zullen ze God in de tempel hebben dankgezegd en de voorgeschreven offers gebracht hebben, waarna ze naar hun familie gesneld zullen zijn.
Eén gereinigde komt terug bij Jezus, een Samaritaan nog wel. Hij looft God met luide stem. Hij valt neer voor de voeten van Jezus om Hem te danken. God loven en Jezus danken – zich voor zijn voeten werpen – horen volgens hem samen. Dankbaar gedenkt hij dat door Jezus, God zelf hem genas. Hoe had ooit de koning van Israël gesproken, toen Naäman, de bevelhebber van het leger van de koning van Syrië, hem vroeg om van zijn melaatsheid genezen te worden? De koning van Israël antwoordde : “Ben ik soms een god, dat ik kan beschikken over leven en dood?” Want het is toch alleen God die iemand van melaatsheid kan genezen. Dat is ook de overtuiging van de Samaritaan. Bij Naäman verliep het ook zo. Hij kwam terecht bij de profeet Elisa en stelde hem rechtstreeks de vraag om tussenbeide te komen opdat hij zou genezen. Elisa ontving hem niet, maar liet tegen hem zeggen zich in de Jordaan te gaan wassen. Naäman doet dat, hoewel aanvankelijk met tegenzin. Maar hij geneest. Dan wil hij Elisa bedanken met een geschenk, maar die weigert, en verwijst hem naar God. Naäman moet God bedanken om zijn genezing. Zo erkent deze heiden, die opslag genezen was, dat God de enige God is van heel de aarde.
De Samaritaan gelooft dat hij in Jezus van Nazareth God ontmoet heeft, in Hem heeft hij de goedheid en menslievendheid van God beleefd. In Hem heeft hij de enige God ontmoet. Daarom is hij terug gegaan naar Jezus. Bij Hem en nergens anders wilde Hij God dankzeggen, niet in de tempel van de Joden in Jeruzalem, niet op Gerizim, de heilige berg van de Samaritanen, maar bij Jezus. Jezus is voor hem de plaats om dankbaar te gedenken wat God aan hem gedaan had. Tot dat geloof kwam de Samaritaan. Hij alleen, en niet de negen anderen die ook gereinigd werden. Daarom zei Jezus tot hem: “Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.” Met andere woorden: bij deze man is het wonder van Jezus volledig geslaagd. De overige negen zijn lichamelijk genezen, maar deze ene is gereinigd naar lichaam en ziel: hij is namelijk tot geloof in Jezus gekomen. Dat is de betekenis van dit evangelie. Het is overigens de rode draad door heel de Blijde Boodschap van Jezus heen. Wie in de genezing van de melaatsen een klaaglied leest over de ondankbare overige negen, heeft het mis.
Het addertje onder het gras is wel, dat de enige die dankbaarheid uitdrukt omwille van zijn genezing, een Samaritaan is. Dat zal het bij de Joden die het verhaal hoorden, wel hard aangekomen zijn. Jezus stelt uitdrukkelijk de vraag: “Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?”
Dankbaar blijven wij bidden in deze viering dat wij God blijvend tegenkomen in de mens Jezus. Amen
Pater Jan Haen (met dank aan “Het Woord Delen, Heeswijk-Dinther)