Verkondiging op 7 november 2010, de 32e zondag door het jaar in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te Muiderberg

Lc 20, 27-38

De herfst die de wegen bedekt met dode bladeren herinnert ons eraan dat in onze wereld alles voorbij gaat. In november  gedenkt de liturgie van de kerk  Allerzielen. De liturgie nodigt ons uit tot bezinning over het mysterie van de dood, maar vooral te mediteren over de verrijzenis van de doden.

Het Evangelie van vandaag is een zeer complexe en raadselachtige tekst.

Wij horen dat de Sadduceeën naar Jezus toe gaan om Hem uit te dagen. De Sadduceeën komen  minder vaak voor in het Evangelie maar hun optreden is schadelijker dan dat van de Farizeeën. Zij behoren tot de klasse van de priesters en van de nobelen van Jeruzalem. De Sadduceeën waren het machtigst: ze behoorden tot de aristocratie en waren zeer conservatief.

In hun kontakten met de overheersers, de Romeinen namen zij een zeer pragmatische houding aan. In die tijd waren zij het die het meest met de Romeinen samenwerkten, in de zin dat ze geen ruzie veroorzaakten. Want ze koesterden geen Messiaanse hoop en ze verwachtten geen vreemde man die het volk tegen de Romeinen zou opzetten. Ze waren ook heel neutraal ten opzichte van nieuwe dingen in de godsdienst of nieuwe geloofsstromingen: het onderwerp van de verrijzenis was voor hen bijvoorbeeld niet geloofwaardig. In feite was de verrijzenis  voor hen iets voor mensen die iets willen zien dat niet bestaat. Ze amuseren zich door een verhaal te vertellen dat Jezus in de problemen kon brengen. Een verhaal afkomstig uit de wet.

In Israël, tenminste in het archaïsche Israël, was de sociale zekerheid een stam-systeem. Wanneer een vrouw  weduwe werd, – de economische erfenis gaat alleen via de mannelijke lijn – moest ze, als zij geen kinderen had, het leven op een ingewikkelde manier aanpakken. De spullen van haar dode man gingen meestaal naar de broer van haar man die  haar ook als zijn vrouw moest nemen. Ik herinner u eraan dat toen  polygamie bestond. De zoon die uit die relatie  geboren zou worden, zou als zoon van de dode man beschouwd worden omdat die vrouw een weduwe was.

Dus, deze vrouw was een weduwe, de broer van haar man huwde haar om aan hem een nakomeling te geven. Dat was een systeem dat boven de dood ging. Namelijk, het zaad van zijn broer laten herleven.

Het geval dat de Sadduceeën voorlegden aan Christus was: stel  dat ook de tweede man overlijdt, dan zal er  een derde komen en als deze ook  sterft,  en zo voort tot dat ze aan het komische getal van zeven mannen  aankwamen. Wat moet er nu gebeuren? Alle zeven zijn overleden en de Sadduceeën vonden het leuk om te zeggen: daarna  zal er de verrijzenis zijn en wanneer al deze zeven mannen zullen opstaan, wie zal dan de echte man van de vrouw zijn? Dit is een bedacht verhaal om al degenen belachelijk te maken die in de verrijzenis geloofden.

Zie hier, dit is een klassieke valstrik. Een listige vraag die de ander in problemen wil brengen. Het  is een vraag met foute  veronderstellingen . 

Het antwoord van Jezus is niet duidelijk, sterker nog hij brengt ons in de war. Wij horen Hem zeggen dat wie  'waardig zijn bevonden om deel te krijgen aan de andere wereld en aan de opstanding uit de dood, niet huwen en niet worden uitgehuwelijkt'.

Het betekent dat wie voorbestemd is aan de verrijzenis heeft vrouw noch man? Dat zou een beetje raar zijn. Het zou de waardigheid van het huwelijk negeren. Wij hebben een beetje moeite met deze zin.

Maar Jezus is bezig de veronderstellingen in het verhaal van de Sadduceeën te pareren. De vraag wil Jezus in een antwoord strikken dat  altijd fout zal zijn. Maar Jezus blijft nooit op het niveau van de vragen. Hij spring altijd op een andere niveau omdat Jezus met ons wil praten over iets nieuws . Jezus wil ons een ander leven brengen. Waarover spreekt Jezus? Hij spreekt over kinderen van deze wereld die waardig zijn bevonden om deel te krijgen aan de toekomstige leven en aan de opstanding uit de dood.

Het gaat om  twee vormen van leven. Twee manieren om alles wat er in ons bestaan is> te benaderen . Het is het belangrijke en wonderbare thema van de nieuwe mens. Van de mens die volgens de verrijzenis leeft. Het is de mens die een andere soort  leven heeft. Hij heeft dit leven van Christus gekregen.

Als wij wat Sint Paulus en de Evangeliën zeggen over de nieuwe mens zetten tegenover de oude mens, zien wij dat het leven van de oude mens, het leven van de mens van deze wereld, een leven is dat zich aan liefde vastklampt. Deze mens is altijd genegenheid aan het uitzuigen. Deze mens zoekt voortdurend bevrediging van zijn gevoelens. Die 'neemt' alles wat voldoening geeft, die neemt vrouw, man, kinderen, die neemt geld, carrière, alles voor zichzelf.

De kinderen van God daarentegen, hebben nieuwe relaties, vrije relaties. Zij 'nemen' geen vrouw of man voor zichzelf maar ze geven zichzelf voor hen. Wie naar Mij toe komt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven verfoeien; anders kan hij geen leerling van Mij zijn (Lc 14, 26).

De kinderen van deze wereld gaan dood, de kinderen van God kunnen niet sterven zegt Jezus vandaag in dit Evangelie. Zij hebben een leven dat de valstrikken van de dood voorbij gaat. Ze hebben een leven volgens de hemel, zij leven al in de hemel.

Wie in Christus is geboren komt in een nieuwe schepping. Wie geboren is volgens de verrijzenis van Christus, leeft voor diegenen die overlijden en verrijzen voor hem/haar. Zij zijn uiteindelijk vrij van hun eigen 'ego'. Zij kunnen uiteindelijk de ander beminnen, in zijn/haar diversiteit, zonder bang te zijn om zichzelf te verliezen.

Leven volgens hemelse relaties is totaal anders. Op deze manier kan je een echte man voor je vrouw zijn, en echte vrouw voor je man, een echt kind, echte en waardige ouders zijn.Het is een andere vorm van huwen, van leven, van kiezen, om door te gaan in moeilijke situaties .Dit evangelie is belangrijk: God is de God van de levenden.

Onze ervaring lijkt te zeggen dat de weg van de mens gaat van leven naar  dood. Jezus keert dit  perspectief om: de pelgrimstocht van de mens gaat vanuit de dood naar het leven. De dood is achter ons, niet voor ons. Voor ons  staat de God van de levenden.

God is niet de God van de doden maar van de levenden. De God van Abraham, de God van Isaac en de God van Jakob. Dit voorzetsel 'van' – 5 keren herhaald  – bevat het geheim van het eeuwige leven. Een kort woordje maar met een enorme betekenis. Het zegt dat God behoort aan Abraham, Isaak en Jakob. Hij behoort aan hen en Zij behoren aan God. Jezus laat ons begrijpen dat wie door God bemind worden en  wie God beminnen zich verbinden aan  jouw naam en  mijn naam. Jij en ik bemind voor eeuwig omdat wij aan een levende God behoren.

Als Abraham, Isaac en Jakob  niet meer zouden bestaan, dan zou God ook niet bestaan omdat God ons als geïntegreerd deel van zichzelf beschouwt. God kan alleen maar Vader zijn als Hij kinderen heeft en dat zijn wij.

Amen

Pastor Giancarlo Rizzo