Verkondiging op 16 januari 2011, de Tweede Zondag door het Jaar, in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te MuiderbergJesaja 49,3,5-6, Johannes 1, 29-34 Sommige mensen hebben iets met titels. Als ze er een hebben, willen ze er ook mee benoemd worden. Professor, doctor, majesteit, eminentie, monseigneur..Maar wat zegt een titel eigenlijk? En wat moet je doen, om ze waar te maken? In de lezingen horen we vandaag verschillende titels voor Jezus: Dienaar, Lam van God, Zoon van God wordt Hij genoemd. Hoe en waarom heeft Jezus die namen gekregen? En weten we ook wat ze betekenen? Johannes de Doper licht een klein tipje van de sluiter op. ‘Ook ik kende Hem niet,’ zegt hij. ‘Maar op wie ik de Geest zou zien rusten, die zou ook zelf met de geest dopen.’ Het moest kennelijk ook Johannes geopenbaard worden, want het was blijkbaar niet vanzelfsprekend dat al die titels op Jezus van toepassing waren. Waaraan kon Johannes dat zien? O.a. bij de profeet Jesaja. De profeet Jesaja schrijft in vier liederen over de dienaar. De dienaar is een mens, aanvankelijk door God uitgekozen om een nieuwe wending in het bestaan van het volk van Israël te brengen. De eerste lezing van vandaag laat zien dat er een verbreding optrad: het gaat niet alleen meer om Israël, het gaat over de hele wereld, tot aan de grenzen der aarde. Wie die dienaar is? Daar zegt Jesaja niets over. In een van de liederen is het de Perzische koning Cyrus, die het volk terug laat keren uit de ballingschap. In een ander lied is het misschien Jesaja zelf, of wordt heel Israël als zodanig gezien. Waarschijnlijk gaat het ook niet om slechts één persoon, maar is het een symbolische functie: wie zo en zo handelt, wie Gods licht laat stralen voor heel de wereld, wie mensen die afgedwaald zijn terugbrengt, zo iemand is mijn Dienaar. Wat moet de dienaar nog meer doen? Hij is een lam, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Dat verwijst naar het gebruik om op de Grote Verzoendag een bok symbolisch te beladen met alle zonden die mensen elkaar niet kunnen vergeven, en die bok wordt dan de woestijn ingestuurd. “Hij droeg onze zonden,” zegt een van de liederen van Jesaja. Hij draagt het kwaad weg dat ons te boven gaat. Maar zelf is het dier onschuldig, een weerloos dier. Geen klauwen, geen grote bek, niets om zich mee te verdedigen of ons aan te vallen. We kunnen ook denken aan de ram die de plaats van Isaac inneemt toen Abraham hem op een brandstapel wou offeren. We kunnen denken aan het Paaslam, dat nog geen jaar oud, geslacht wordt om met zijn bloed op de deurpost een teken te geven dat zegt: hier wonen mensen die hun vertrouwen op God hebben gesteld. Hier wonen mensen die hopen op bevrijding, die verlangen naar een eind aan hun slavenbestaan. De Messias, de Christus, een anti-held. Hij is geen superstar met bijbehorende allures. Hij is een mens zoals eenieder van ons, maar wel iemand in wie Gods licht, Gods liefde, Gods Geest doorstraalt. Die daarom ook ‘Zoon van God’ genoemd gaat worden. Maar dat is een titel die niet alleen voor Hem is weggelegd. In het begin van het Johannes evangelie, dat we op kerstmorgen gelezen hebben, staat al, dat ieder die Hem opneemt, kind van God mag worden genoemd. Opnieuw: geen exclusief iets, maar in beginsel bedoeld voor alle mensen. Ja, alle mensen, maar wel die mensen die net als Hij durven leven vanuit de Geest die hun gegeven wordt. Mensen die in Hem herkennen hoe de Eeuwige aan het werk is in deze wereld. Daarom zijn het allemaal titels die nog steeds en steeds opnieuw waargemaakt moeten worden. Door wie? Allereerst door Jezus zelf. Johannes de evangelist, schrijft zijn evangelie achteraf, als alles is gebeurd, als de boodschap al tientallen jaren haar werk heeft gedaan en haar waarde heeft bewezen. Hij heeft het zien gebeuren zegt hij, hoe Jezus heeft gepredikt en geleden, hoe zijn leerlingen gaandeweg mensen aantrok en bezielde, hun leven voorgoed veranderde, bevrijdde. Hij draagt die namen, die titels niet voor niks. Maar het moet ook gebeuren door ons, die net als Jezus, gedoopt zijn, die net als Hij gezalfd zijn met zijn Heilige Geest, die net als Hij zonen en dochters van God geworden zijn. Dat die Geest ook ons kan inspireren, om net als dit Lam, deze Dienaar, deze Zoon, het kwaad uit onze wereld weg te dragen opdat wij steeds meer kinderen van God worden, daarom zijn wij hier samen en bidden wij. Want het licht en het heil zijn nog lang niet tot aan de grenzen der aarde een feit. Amen. Pater Jan Haen C.Ss.R. |