Verkondiging 23 januari 2011, in de Boskapel te MuiderbergHandelingen 2, 42 - 47
Gemeente van Christus, ieder jaar wordt voor de oecumenische dienst in het kader van de wereldwijde ‘Week van gebed voor de eenheid’ een orde van dienst, een liturgie geleverd door een groep christenen uit steeds weer een ander land. Zo hebben we al heel wat landen op bezoek gehad. Syrie, de Verenigde Staten, Korea Peru, Italië, enzovoort. En vandaag is ons de dienst aangereikt door een groep Christenen uit Jeruzalem, uit Israël en die liturgie volgen we op de voet. Ik moet zeggen dat ik het wel wat vind, zo’n handreiking voor de eredienst uit het land waar Jezus heeft geleefd en waarvandaan de zendingsreizen zijn begonnen. Een land wat er tegenwoordig heel anders uitziet dan in de dagen van Jezus. Vooral politiek ziet het er nu heel anders. Maar ook zijn de joden van toen niet meer de joden die ze nu zijn. De Joden van toen zijn toen trouwens door de Romeinen allemaal Jeruzalem uit verdreven, ze mochten Jeruzalem niet meer in. De christenen ook, dwz er was nog geen scherp onderscheid tussen Joden en Christenen, het woord christenen was zelfs nog niet uitgevonden. De aanhangers van Jezus de Christus, worden door Paulus in het boek van de Handelingen, een sekte binnen het Jodendom genoemd. Het hedendaagse Israël is ook in godsdienstig opzicht anders. Drie godsdiensten zijn er vertegenwoordigd, die zich alle drie baseren op het geloof van Abraham: het Jodendom, het Christendom en de Islam. En die christenen, ik zou denken die zoeken het contact met Israël, in iedergeval met het Israël van de Schriften, maar tot mijn verbazing, en misschien ook wel tot uw verbazing, bevat de liturgie geen lezing uit of een andere verwijzing naar Tenach ( het Oude Testament). Als lezingen kregen we voorgeschoteld een stukje uit de Handelingen van de apostelen en een gedeelte uit Mattheus. Over de lezing uit Handelingen wil ik iets zeggen. Het gaat in dat stukje over het leven van de eerste gemeente. Het staat in hoofdstuk 2, direct na het verslag van Pinksteren. En Pinksteren, de Pinkstergloed werkt in alle opzichten door op de gemeente. Het is jammer dat de eerste regel over de gemeente niet bij de gekozen lezing is genomen, maar misschien weet u zò wel dat daar staat, dat op die eerste Pinksterdag ‘ongeveer 3000 mensen’ aan de gemeente werden toegevoegd. Toegevoegd aan het eerder genoemde getal van 120 personen die rond Petrus geschaard waren. Dus ineens wordt het aantal Jezus-belijdende Joden (het waren alleen nog maar Joden) explosief groter. Het moet een feest zijn geweest, alleen al door dat grote aantal mensen, zoals bij een kerkendag waar je het enthousiasme voelt van al die gelijkgestemde gelovigen, iedereen is betrokken en welwillend (al zijn er nog allerlei verschillen van mening zijn) maar je voelt je toch één, en je groet elkaar, terwijl je de ander niet kent, ja: in de geest ken je hem wel, en er wordt niet voorgedrongen bij de koffiekraam, alles kan, en er zijn de meest mooie ontmoetingen van hart tot hart. Nou zo was het dus ook in die eerste gemeente. Een soort Taizé, daar heb je dat ook. De mensen waren met elkaar verbonden in het evangelie. Dat evangelie stond nog lang niet op papier, maar de apostelen vertelden over Hem en ze discuteerden over de betekenis ervan, eindeloze en heftige debatten, echt een Jodenkerk, als u die uitdrukking kent. Ja, zegt Lucas in deze verzen van Handelingen, het mooiste was, dat het geen draaideur gelovigenwaren, maar ze bleven trouw aan de woorden die apostelen verkondigden. Volhardend, staat er eigenlijk. En helemaal is dat opvallend omdat het bij die gelovigen niet bij woorden bleef. Wat verteld werd over Jezus, werd nagedaan. Dat had Jezus zijn leerlingen ook opgedragen: Doet dit om Mij te gedenken, had Hij gezegd. Dat had Hij gezegd toen Hij voor de laatste keer met zijn leerlingen aan tafel zat. Witte Donderdag, noemen wij dat. Hij had het brood gebroken en aan zijn discipelen gegeven en zij hadden ervan gegeten, en daarna had Hij de wijn rondgedeeld en ze hadden ervan gedronken. Doet dit tot Mijn gedachtenis, had Hij erbij gezegd. Wij doen dat in de kerk ook, nou ja, wel een heel klein stukje brood en wel een heel klein slokje wijn en meestal alleen maar voor ons eigen clubje. Maar dat Jezus toch niet bedoeld hebben. Dat dat het doen is tot zijn gedachtenis. Nee, brood en wijn staan voor veel meer en niet voor minder. Doet dit, verwijst naar alles wat Jezus gedaan heeft. Brood gedeeld, maar aan hongerigen en aan zondaars, zieken genezen, bezetenen tot rust gebracht, gebeden, verhalen verteld, alles gedeeld, getroost, doden opgewekt. Doe dit om Mij te gedenken. En ze deden het ook. Niet benepen. Brood breken, bidden, vèle tekenen en wonderen, en alles wat ze hadden, hadden ze gemeenschappelijk. Het was een koinoonia, een gemeenschap, het Latijnse woord kennen we beter: een commune. Zo was het daar, die eerste gemeente in de gedachtenis van Jezus Christus. Een kerkendag, een TAizé, maar dan voor altijd en veel radicaler en ze volharden erin. Bijbelcommentaren proberen de pret wat te drukken. Een commune zou het nooit geweest, alles delen was er ook niet bij. Maar waarom niet? En wie wat verder leest in de Handelingen stuit twee hoofdstukken verder op precies eenzelfde beschrijving dat zij alles gemeenschappelijk hadden, niemand had een persoonlijk eigendom. Zou dat niet zo geweest zijn? Nee, misschien is het waar dat het nooit zo heeft bestaan, of heel kort. Maar u zult niet erg geschokt zijn als ik zeg dat er in de Bijbel wel meer staat dat niet of niet zo is gebeurd. De bijbel is geen boek waarmee je dingen kunt bewijzen. Er staat weinig seculiere geschiedenis in, geen betrouwbare aardrijkskunde, maar ook hoe de mensen met elkaar omgingen, kun je je hand niet voor in het vuur steken. En toch kun je zeggen dat wat daar allemaal staat wèl waar is. Weet u, dit besef is voor ons moderne mensen moeilijk te begrijpen. Voor de moderne mens moet alles transparant zijn, geen dubbel lagen, poëzie ligt moeilijk vandaag de dag. Dat er nog een ander werkelijk zou bestaan, die niet te bewijzen is, die je moet geloven, dat kan er maar moeilijk in. Bij mijn Bijbel-vertellingen in de VertelCarrousel vertelde ik over een wonder. Een jongen die er net bijgekomen was, vroeg: maar hoe kan dat nou? Een andere jongen die er wat langer bij zit, zei: Ja, maar het zijn verhálen. Daarmee was het voor hem, 12 jaar, duidelijk. Verhalen vertegenwoordigen een andere werkelijkheid. Daar kan, wat verder nog niet kan. Daarom is het verhaal van de eerste gemeente als commune die alles gemeenschappelijk had, niet geschrapt, staat het er zelfs twee keer in, al is het misschien nooit werkelijkheid geworden. Zoals het gebod van het jubeljaar, het vijftigste jaar in het Bijbelse Israël waarin alles eerlijk wordt herverdeeld, dat heeft volgens de commentaren nooit plaatsgevonden, maar toch is het nooit geschrapt, want het bestaat wel degelijk. Het is een werkelijkheid. Nu nog alleen op papier, en in de gedachten, maar met profetische kracht, opdat het straks gebeurt: alles hebben ze gemeenschappelijk, alles wordt gedeeld. De eerste gemeente wordt beschreven als een blije, lovende gemeente. Op dat alles antwoordt God zelf door nog meer mensen aan de gemeente toe te voegen. Maar dan staat er aan het eind, in de Nieuwe Vertaling waaruit gelezen is, iets jammerlijks. Dat de mensen die door God toegevoegd werden, dat die mensen gered wilden worden. Misschien is dat wel zo, wilden die mensen die toetraden tot de gemeente gered wilden worden. De naam van Jezus betekent dat ook: de Heer redt. Maar het staat er niet. Er staat is iets veel radicalers, niet dat ze gered wilden worden, maar dat ze gered werden. Door tot de gemeente toe te treden, tot die gemeente die werkelijk alles deelt, waar wonderen gebeuren, waar gebeden wordt, waar doden opstaan, als je daar bij komt, bèn je gered. Is dat een werkelijkheid of een wens? Het is een werkelijkheid. Bij deze God bèn je gered. Amen. ds. Jeroen Bellwinkel |