Verkondiging op 3 juli 2011, Veertiende zondag door het jaar, in de Laurentiuskerk te Weesp

Zacharia 9, 9-10,Romeinen 8, 9+11-13, Matteüs 11, 25-30

Mijn juk is zacht. Een juk – is een houten voorwerp met een bepaalde pasvorm, dat op de schouders wordt gedragen. Aan elk uiteinde zit een haak of een inkeping, waaraan een touw of een ketting kan worden bevestigd. Een juk met twee emmers is het traditionele beeld. Een juk werd meestal op maat gemaakt en maakte dat de lasten gelijk verdeeld werden en dragelijk waren. Elk juk was anders, aangepast aan de persoon en afgestemd op een specifieke taak.

Jezus reageert tegen de farizeeën die de joden een juk opleggen; namelijk een geloof verzwaard met voorschriften, terwijl ze daarbij tegelijk voor zichzelf uitzonderingen maken. Hier is geen sprake van een Blijde Boodschap, maar van een last op de schouders. Jezus daarentegen nodigt zijn volgelingen uit om naar hem toe te komen en zijn juk op te nemen. Anders dan het verzwaarde juk van de schriftgeleerden, is Jezus erop uit om mensen steun te geven en zoals een juk de lasten van het leven te verlichten. Want juist voor mensen die afgemat zijn, juist voor hen die lasten te dragen hebben, wil Hij Jezus er zijn, in Godsnaam. God wil mensen geen juk opleggen, maar bevrijden, verlossen, heil brengen. Daarom is Jezus gekomen en is Hem – zoals het evangelie vandaag zegt – alles in handen gegeven van de Vader.

Door de persoon en de woorden van Jezus krijgen we kijk op wie God is. Een God die het beste wil voor mensen, die het welzijn nastreeft en geen onbarmhartige God, ver weg, ongenaakbaar en allerlei eisen stellend die vooral de buitenkant betreffen. Dus geen God van wie beweerd wordt - je bent homo of lesbisch en dat kan niet. Je bent Roemeens of Ghanees en je bent niet welkom. Je gelooft anders, dus je mag niet meedoen.

Zo'n kijk op God komen we ook tegen in de eerste lezing, waarin de profeet Zacharia de komst van de Messias aankondigt. Die is rechtvaardig en nederig, en Hij bewerkt dat vrede het wint van geweld. Een vredesvorst zal hij zijn. Want vrede – sjalom – is gericht op leven in goede verhoudingen met elkaar en daarom uiteindelijk ook met God.

En Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen, over de Geest van God die in ons woont. De Geest die Jezus bezielde en Hem deed opstaan uit alle dood en duisternis. Die Geest geeft als wij het toelaten, kracht en behoedt ons ervoor verkeerde wegen in te slaan. Wie bezielt is met de Geest van Jezus, heeft God in zich en zal zijn oude discriminerende leven opgeven.

In die zin zijn de lezingen van vandaag een lofzang op God, omdat Hij het goede in mensen oproept en wil dat het ons goed gaat. Wie openstaat voor de Geest van God zal leven met hart en ziel. Degenen die echter die God hebben geclaimd en gevangen in een systeem van voorschriften en regels, die regeren met hun verstand en leggen een zwaar juk op andere gelovigen. Zij leggen een juk op de schouders dat niet op maat van de mens is gemaakt en hem/haar niet helpt in het leven.

Wat kunnen wij daarmee? Allereerst: misschien het stil maken in onszelf en overdenken, wie God voor ons is. Is Hij een “Iemand” voor ons? Iemand met wie we kunnen communiceren? Iemand die leeft in ons en die ons raakt en aanspreekt? Met wie we een persoonlijke verhouding opbouwen? Of is God “Iets”? Geloven we in “Iets”, wat we wetenschappelijk kunnen onderzoeken? Een God ver weg, op afstand, die nauwelijks iets met ons te maken heeft.

Ten tweede: in alle lezingen is er sprake van een lofzang op God. Hij wordt de hemel in geprezen! Hij komt in Jezus aan het licht en is rechtvaardig, brengt vrede, en wil ons leven verlichten. Loven wij op onze beurt God weleens? Staan we weleens in dankbaarheid stil bij wat zo vanzelfsprekend lijkt aan geluk, gezondheid, geld of goederen. Danken we voor het feit dat we leven en liefde mogen ontvangen en geven? Of wenden we ons alleen tot de Lieve Heer, als het tegenzit, als we boos, opstandig of intens bedroefd zijn. Geven we Hem de schuld als het tegenzit?

Kortom, vandaag worden we herinnerd aan de beleving en geloofsuiting van mensen vóór ons, uit het Oude en Nieuwe Testament. Zij houden ons een spiegel voor en vragen kleur te bekennen: wie is God voor jou en mij? Een bondgenoot of tegenstander, dichtbij of veraf, nederig en barmhartig, of almachtig en overheersend.

Ten derde: in Jezus en in zoveel heilige en zalige mensen van vroeger en nu kunnen wij God ontdekken. Zij zijn een icoon, een beeld van God. Zien wij die mensen om ons heen en kunnen we ons spiegelen aan hen in het leven van alle dag? Ik wel, en u zeker ook.

“Komt allen tot mij” is de uitnodiging van Jezus en is daarbij ook de uitnodiging in Zijn Geest, van God zelf aan ons allen. Amen.

Pater Jan Haen C.Ss.R.