Verkondiging op 7 augustus 2011, Negentiende zondag door het jaar, in de Nicolaaskerk te Muiden en de Boskapel te MuiderbergEerste lezing : 1 Koningen 18,9a,11-13a, Evangelie : Matteüs 14,22-33 Even trekt Jezus zich terug – om in afzondering te bidden. Een moment van stilte. Wat roept stilte op? Wat gebeurt er in de stilte? In stilte kun je soms grote ontdekkingen doen. In de stilte hoor je je eigen adem, het suizen van het bloed in je lichaam. Misschien hoor je geluiden, ver weg, die je anders nooit hoort. Of je hoort niets, je ‘hoort’ de stilte en de rust. In de stilte kan een mens tot zichzelf komen, even alleen met zijn eigen gedachten, er is niets dat afleidt. Zo’n stilte kan weldadig zijn. Maar er zijn nog andere soorten stiltes. Een stilte die je overweldigt, die beangstigt. De stilte voor de storm, de ingehouden adem, de ijzige stilte als er ruzie in de lucht hang. Stilte is lang niet altijd weldadig! Stilte kan ook confronterend zijn. Je komt jezelf tegen. Wie ben ik? Wat zijn mijn verlangens? Wat is de diepe zin van mijn bestaan? Dergelijke vragen kunnen op je af komen in de stilte. Zoekt Jezus die stilte op als Hij de leerlingen en de menigte wegstuurt? Wil hij alleen zijn om na te denken over wie Hij is? Gaat Hij daarom in stilte en afzondering de berg op? Vanuit de stilte en de afzondering lijkt Jezus inderdaad diep door te dringen tot het mysterie van zijn eigen bestaan. Allerlei tekenen wijzen erop dat Jezus zich ten volle bewust is van zijn bijzondere afkomst. Hij kan over het water lopen. Hij weet de storm tot bedaren te brengen. Het water en de storm staan voor de kwade machten die de mens kan overspoelen, voor alles waardoor de mens ten onder kan gaan, voor alles wat doods en duister is. Jezus weet deze kwade machten te bedwingen. Bovendien treedt Hij de leerlingen tegemoet met de woorden ‘Weest gerust. Ik ben het’. Juist die woorden roepen de herinnering op aan de naam van God zelf, God die zich bekend maakte met de naam Ik-ben-er, Ik-zal-er-zijn. Dit verhaal uit het evangelie is een openbaringsverhaal. Jezus openbaart zijn bijzondere positie. En de leerlingen erkennen de goddelijke afkomst van Jezus in hun geloofsbelijdenis aan het einde van het verhaal: ‘Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.’ WAT IS ER EIGENLIJK IN DE TUSSENTIJD GEBEURD MET DE LEERLINGEN: Voor de leerlingen is de periode dat Jezus niet bij hen is, de tijd die hij in stilte en afzondering doorbrengt op de berg, juist beangstigend. Zij worden teruggeworpen op zichzelf. De uiterlijke omstandigheden van de storm zijn een treffende weergave van hun innerlijke gesteldheid. Zij hebben zware tegenwind. Ze worden heen en weer geslingerd door angsten en twijfels. Die angsten verdwijnen niet zomaar met de komst van Jezus. Nee, ook als de leerlingen Jezus zien is er nog angst, Ze denken een spook te zien, een schim die over het water wandelt. Alleen Petrus overwint zijn angst. Hij durft Jezus zo diepgaand te vertrouwen dat hij , op bevel van Jezus uit de boot klimt en over het water naar Jezus toe begint te lopen. Maar dan ziet hij de gevaren in, de angst slaat weer toe: 'Waar ben ik eigenlijk mee bezig?' Zijn vertrouwen gaat ten onder in zijn twijfels, hij dreigt te zinken. Kernwoord in dit verhaal is ‘vertrouwen’. Even durft Petrus zich ten volle op Jezus te verlaten. Maar op het moment dat er twijfel in hem opkomt, dreigt hij kopje onder te gaan. Jezus daagt zijn leerlingen –ook ons dus – uit zó op Hem te vertrouwen, dat geen enkele angst je overmeesteren kan. ‘Al word ik belaagd door duizenden, uw hand is op mijn schouder, niets kan mij raken’, zo lezen we in een van de psalmen. Wie kan dat? Wie heeft zo’n diep vertrouwen? Is angst voor het onbekende, het onzekere, angst voor ziekte en dood niet eigen aan de mens? Het leven zit zo vol onzekerheden en open einden, daar word je toch bang van? Ja, angst en twijfel horen bij het leven, er is niets wat dit kan wegnemen. En toch lees je in de Schrift, in het evangelie een ander geluid, een tegengeluid. Geen tegengeluid in de zin van: weg met je angst en twijfel, nergens voor nodig. Nee het is anders. Het lijkt erop dat Jezus ons bestaan een ‘bodem’ wil geven. Je kunt wel bang zijn voor wat je overkomen kan en je kunt wel twijfels hebben bij wat er op je afkomt, maar laat je er niet volledig door bepalen. Laat het geen bodemloze put worden, waarin je ten onder gaat. Weet dat die put, hoe diep en donker ook, een bodem heeft. Weet dat er een God is, een God die zich noemt: Ik-zal-er-zijn. Pater Jan Haen C.Ss.R. (met dank aan Het Woord Delen. Berne Heeswijk.)
|